Activisme, Passivisme en Frontbeweging

De activisten waren afkomstig uit de radicale flamingante milieus waar de federale gedachte reeds vòòr de oorlog sluimerde.Volgens historicus Pieter Van Hees kenmerkte het activisme zich “door het streven naar radicale politieke veranderingen die de Vlaamse gemeenschap binnen een hervormde Belgische staat of zelfs binnen een soeverein Vlaanderen de grootst mogelijke politieke zelfstandigheid zouden moeten bieden. De politieke eisen lagen in de eerste plaats op het terrein van de taalwetgeving en de staatsstructuur (…).De zogeheten activisten waren bereid deze politieke eisen te verwezenlijken in nauwe samenwerking met en in feite in afhankelijkheid van de Duitse bezetter”. Over de concrete politieke toekomst van Vlaanderen bestond er een brede waaier van meningen. Sommige activisten zagen alle heil in een ver doorgedreven federalisering van België. Anderen dachten aan een onafhankelijk Vlaanderen, de omvorming tot een Dietse staat of een onderdeel van het Duitse rijk. Centraal was de afkeer van de Belgische unitaire staat. Hun aanhang bleef beperkt tot enkele duizenden.

De passivisten waren flaminganten die, in tegenstelling tot de activisten, de samenwerking met de Duitse bezetter afwezen en loyaal wensten te blijven tegenover België. Toch benaderde het standpunt van sommigen dat van de activisten, met name wanneer de federalisering van het land ter sprake kwam. De meeste passivisten schaarden zich echter achter het zogenaamde minimumprogramma dat na de oorlog door de regering zou moeten worden uitgevoerd (de volledige vernederlandsing van onderwijs, bestuur, leger en gerecht in Vlaanderen). De leiding van de passivisten was in handen van enkele katholieke politici in het buitenland (waaronder Frans Van Cauwelaert).

Een sterke mobiliserende kracht voor de Vlaamse beweging ging uit van de Frontbeweging. Deze actie was het werk van Vlaamse onderwijzers, aalmoezeniers, universitairen en ambtenaren die de idealen van volksverheffing die ze in hun studententijd hadden leren kennen, nu ook aan het front wilden toepassen. Zij zagen het als een plicht om de gewone soldaten te wijzen op hun Vlaamse afkomst en zelfrespect. Zo ontstonden er frontblaadjes die de soldaten aanzetten om aan allerlei Vlaamse culturele activiteiten deel te nemen (toneel, voordrachten, studiekringen,…). Het initiatief was niet alleen Vlaams maar ook katholiek gekleurd omdat men het leger beschouwde als een potentieel gevaar voor ontkerkelijking en zedenverwildering. Dat het leger Franstalig was – in de ogen van de katholieken betekende dat vrijzinnig – versterkte alleen maar die gedachte. Al snel nam het Vlaamse en politieke karakter de bovenhand. Naarmate de legerleiding afwijzend reageerde door middel van tuchtstraffen en censuur, groeide bij de “Fronters” de federale gedachte waardoor zij heel dicht bij het standpunt van de activisten kwamen. In 1918 dachten zij reeds aan een onafhankelijke Vlaamse partij voor wie België geen noodzaak meer was.

Advertenties